Home / (Op)voedingsstrategieën

 

Opvoeden, nieuw gedrag aanleren of probleemgedrag doorbreken is niet vanzelfsprekend. Voedselneofobie (= de angst om voedingsmiddelen te proeven) is een universeel en natuurlijk proces dat elk kind vanaf +/- 2 jaar mee maakt, in mindere of meerdere mate. Als ouder dien je hier ook gepast op te reageren, want je wil immers vermijden dat je kind blijft “hangen” in deze fase. Als ouder heb je dan ook soms behoefte aan technieken of vaardigheden, die je kunnen helpen.

(Op)voedingsstrategieën

Er bestaan tal van effectieve (op)voedingsstrategieën. In de Proeftoren ligt de focus op positieve bekrachtiging. Je ondersteunt en stimuleert je kind in het proeven van onbekende voedingsmiddelen via positieve aandacht en gepaste beloningen. Niet elk kind is even beloningsgevoelig. Jij kent je kind het best!

De strategieën die we hier opsommen, vormen de basis voor de uitwerking van het spel de “Proeftoren”.

Positieve bekrachtiging

De Amerikaanse psycholoog Thorndike formuleerde positieve bekrachtiging (= iets positiefs aanreiken) voor het eerst via zijn “Wet van het Effect”. Deze wet stelt dat gedrag blijvend is, indien het beloond wordt. 


Deze wet kan toegepast worden bij kinderen met voedselneofobie: zo stijgt de kans dat een kind door positieve beloning (bv. door een compliment te geven) zijn/haar proefgedrag herhaalt.


Psycholoog Skinner heeft het werk van Thorndike verder uitgebreid en lanceerde de theorie omtrent “operante conditionering”. Volgens Skinner kan je als ouder op 4 manieren reageren op het gedrag van je kind:



  1. Positieve bekrachtiging = je geeft een beloning. Je beloont het gedrag met een aangename stimulans zoals bv. een complimentje, een knuffel of een aai over het hoofd.

  2. Negatieve bekrachtiging = je neemt een onaangename toestand weg. Wanneer je kind bijvoorbeeld instemt om één stukje te proeven, verplicht je het niet langer verplicht zijn/haar hele bord op te eten.

  3. Positieve straf = je dient een straf toe: het gedrag wordt dus gevolgd door een onaangename ervaring. Je geeft het een tik op de vingers of je geeft je kind een time-out.

  4. Negatieve straf = je neemt een positieve toestand weg. Wanneer je kind niet wil proeven, mag het niet langer gaan spelen bij een vriendje.


Alles wat aandacht krijgt, groeit.

Het is belangrijk dat een compliment concreet wordt gemaakt voor je kind. Zeg dus niet “je hebt flink gegeten” maar beter “wat knap van jou dat je drie wortels hebt opgegeten!” zelfs als er zes wortels onaangeroerd blijven liggen. De aandacht wordt gevestigd op het positieve.


Aandacht betekent volledige en oprechte aandacht, want dat is heel belangrijk voor de ontwikkeling van je kind. Bij het geven van een compliment is het belangrijk dat andere bezigheden worden stopgezet en oogcontact wordt gemaakt met je kind. Je kind herhaalt het gedrag, waarvoor het je aandacht kreeg en door die herhaling leert het. Het positief aanmoedigen en belonen is daarom erg belangrijk. Dit is effectiever dan negatief gedrag bestraffen en het bevordert de sfeer aan tafel.


Als je aandacht geeft, dient dat bovendien met overtuiging en op maat van je kind te gebeuren. Het eten van één bruine boterham kan voor jouw kind een topprestatie zijn, terwijl het voor het buurmeisje een dagelijkse gewoonte is.


Het geven van complimenten is ‘nooit te veel en zelden genoeg’. Houden van kinderen en ze complimenteren voor positief gedrag is niet hetzelfde als ze verwennen. Verwennen doe je door ze te overladen met kado’s, ze steeds hun zin te geven en alle moeilijkheden uit de weg te halen. Belonen is positief reageren op positief gedrag, zelfs al is het (nog) niet het gewenste gedrag.

Positief opvoeden

Vaak geef je aandacht aan wat fout gaat in plaats van aan wat goed loopt, ook aan tafel. Het is echter belangrijk om je kind steeds aan te moedigen als het gewenst gedrag vertoont. Het heeft namelijk meer effect om het goede te versterken dan het slechte te bestrijden (Adriaenssens, 2007). Dwingen werkt al helemaal contraproductief. Weet dat bij jonge kinderen de hersenen gevoeliger blijken voor belonen dan voor straffen.


Als je je kind een compliment geeft, wanneer het proeft van een voor hem/haar “onveilig” voedingsmiddel, ervaart je kind dit als aangenaam. Dit zet aan tot herhaling. Zelfs wanneer het proefproces erg traag verloopt, is het van belang om steeds op het positieve te focussen. Als je kind bijvoorbeeld maar twee hapjes eet van zijn portie broccoli is het teveel gevraagd om te eisen dat het een volwaardige portie eet. Van belang is om te starten met wat je kind al goed doet. Van hieruit stimuleer je het verder om een steeds grotere portie te eten. Dit proces vraagt tijd en verloopt stapsgewijs.

Het kind betrekken

Het is belangrijk om je kind medeverantwoordelijk te maken, ook aan tafel. Samen boodschappen doen, voedingsmiddelen uitkiezen in de winkel, je kind laten helpen met koken of de tafel helpen dekken. Je kan je kind ook 1x per weer het menu zelf laten kiezen. Het zijn allemaal voorbeelden om de betrokkenheid bij het maaltijdgebeuren te verhogen (Moyson, Roofthooft, 2002; Martins, Pelchat, & Pliner, 1997). Door je kind zelf te laten opscheppen, respecteer je niet alleen de regel van de gedeelde verantwoordelijkheid, maar betrek je het ook bij de maaltijd.

Een ontspannen sfeer waar het kind zich veilig voelt

Let er op dat je kind niet afgeleid wordt tijdens de maaltijd door tv of speelgoed. Beschouw de maaltijd als een gezellig gezinsmoment en creëer een ontspannen sfeer. (Moyson, Roofthooft, 2002). Een aangename sfeer kan bevorderd worden door muziek op de achtergrond, de tafel te versieren, gebruik te maken van leuke servetten of een “eet-smakelijk-liedje” te zingen.

Voorbeeldfunctie

Als ouder ben je een rolmodel voor je kind. Je kind kopieert het gedrag dat jij als ouder stelt. Het is belangrijk om niet alleen te zeggen hoe het moet, maar zelf het goede voorbeeld te geven. Het niet eten voor tv, het nemen van een portie groenten, het niet beantwoorden van de telefoon tijdens de maaltijd zijn voorbeelden hiervan. De kans is groot dat je kind via “observationeel leren” hetzelfde doet.


Ben je zelf een moeilijke eter? Dan is de kans groot dat je kind dat ook is (Carruth & Skinner, 2000). Dit heeft dan vaak niets met de smaakpapillen te maken, maar met imitatiegedrag. Kinderen imiteren thuis, maar ook in andere omgevingsvormen. Dit verklaart waarom een kind bijvoorbeeld beter eet op school dan thuis.

Regelmaat, ritme, rust

Deze drie R-woorden zijn heel belangrijk voor je kind, op elk moment van de dag. Je kind ervaart een gewoonte als comfortabel en veilig. Bouw als ouder bepaalde rituelen in omtrent de maaltijden, net zoals bij het slapengaan (Adriaenssens, 2007). Je kind rekent hierop, het geeft een veilig gevoel en vertrouwen om zich vanuit deze basisveiligheid verder te ontwikkelen.

Als we dit op het eten toepassen, komt deze strategie neer op:



  • het aanbieden van 5 maaltijdmomenten (3 hoofdmaaltijden + 2 tussendoortjes)

  • op zoveel mogelijk vaste tijdstippen

  • aan de eettafel

  • en in gezelschap


Ook een vaste plaats aan tafel is belangrijk voor een kind.

Goed proefgedrag belonen met positieve aandacht (niet met eten)

Elke stap in het proefproces van je kind moet beloond worden met bijvoorbeeld een schouderklopje, een aai over het hoofd, een zoen of een compliment (Adriaenssens, 2007). Hoe klein het stapje ook, elke stap is een stap vooruit en verdient positieve aandacht.


Voorbeelden van kleine beloningen zijn een extra verhaaltje voor het slapengaan, samen een spel spelen, een mini-speeltje of een mooie sticker. Een beloning hoeft helemaal niet materieel van aard te zijn. Krachtige aanmoedigingen voor kinderen blijken gezinsuitstappen te zijn zoals een fietstocht met het hele gezin, een wandeling of naar het zwembad. Dit type van activiteiten is extra sterk, omdat het kind dat soms als ‘probleemkind’ wordt gezien nu de ‘pretmaker’ is. Dankzij zijn goede gedrag wint iedereen een uitstapje. Het versterkt de associatie tussen goed gedrag en solidariteit.


Het is belangrijk om je kind niet te belonen met eten (snoep, een zoet dessert of een glas frisdrank). Het te proeven voedingsmiddel wordt zo nog meer als een ‘obstakel’ aanzien om tot de lekkere (en ongezonde) beloning te komen. Het vergroot de waardering voor het ongezonde dessert.

Voeding is neutraal

Voeding bied je neutraal aan (dit wil zeggen dat je bv. niet zegt dat het lekker is of gezond) en zonder dwang. Dwingen om te eten is zinloos en werkt contraproductief. De voedingsmiddelen beschrijven (bijvoorbeeld zacht, zoet, rood, rond) kan zeker wel. Dit is een vorm van kennismaken en ontdekken voor je kind. Daarom is bij jonge kinderen ‘spelen met eten’ toegelaten (Joossens, Vervoort, Braet, Moens, Elslander, 2016).


Verder is er niets ‘verboden’, want ‘verbieden doet snoepen’. Uit een experiment van E. Jansen (2007) blijkt dat 5-jarigen die eerst geen rode snoepjes mochten eten daarna meer van deze snoepjes aten en deze zelfs lekkerder vonden dan de groene variant. Opvallend hierbij is dat de groene identiek waren aan de rode. Dit voorbeeld hoort thuis bij de “restrictieve strategieën” waarvan wetenschappelijk aangetoond werd dat ze contraproductief werken.

De regel van de gedeelde verantwoordelijkheid

Jij bent als ouder verantwoordelijk voor wat je kinderen eten en wanneer. Je kind beslist echter hoeveel het ervan eet. Als je kind beslist om weinig tot niets te eten, dien je je als ouder daarbij neer te leggen. Je kind staat dan ook wel in voor de consequenties van deze beslissing en moet wachten tot de volgende maaltijd om opnieuw te eten. De kans is groot dat je kind snel weer honger krijgt als het aan tafel te weinig eet. Door consequent op te treden en tussen de maaltijden door niet te sussen met verschillende (zoete) tussendoortjes tegen de honger, leert je kind om aan tafel te eten.

Flavour-flavour learning

Onderzoek toont aan dat als een kind een voedingsmiddel aangeboden krijgt wat het niet wil proeven in combinatie met een voedingsmiddel dat het heel graag lust, de kans stijgt dat het ook van het eerste proeft. (R.C Havermans & A. Jansen, 2006). Smaakverzadiging kan hiervoor een mogelijke verklaring zijn: een kind is verzadigd in een specifieke smaak en heeft trek in iets nieuws (‘sensory specific satiety’).


Het werkt eveneens stimulerend om voeding in dezelfde kleur aan te bieden: een blauwe druif met een pruim of een wortel met een mandarijn. Dit flavour-flavour learning past beter in het referentiekader van een kind dat het onbekende voedingsmiddel sneller aanvaardt.


Bovendien blijkt ook uit onderzoek (Roe, Meengs, Birch en Rolls, 2013) dat kinderen tussen 3 en 5 jaar gemakkelijker proeven én meer eten van het aangebodene wanneer ze keuze hebben tussen verschillende groenten en fruit dan wanneer er slechts één soort beschikbaar is. Dit onderzoek onderstreept naast het flavour-flavour learning ook het belang van variatie.


Keuze doet dus ook eten.

Herhalend aanbieden

Een kind dat een onbekend voedingsmiddel weigert, hoeft niet zorgwekkend te zijn. Elk kind moet nieuwe smaken leren appreciëren. Opgeven na één proefsessie is niet aan de orde. Gemiddeld heeft een kind 10 tot 15 proefsessies nodig om een nieuwe smaak te aanvaarden (Birch, McPhee, Shoba, Pirok, & Steinberg, 1987; Wardle, Carnell, & Cooke, 2005; Wardle, Cooke et al., 2003). Zelfs al wordt er maar één hapje gegeten, het is een stap vooruit.


Ook voelen, ruiken, likken, aan de mond brengen en zelfs in de mond nemen en opnieuw uitspugen, maken allemaal deel uit van het leerproces. Hoe meer men jonge kinderen laat proeven, hoe uitgebreider hun smaakpallet ontwikkeld wordt en hoe gevarieerder zij zullen eten, ook op langere termijn.